Dodenherdenking en bevrijdingsdag worden steeds meer verbreed en daardoor vager. Nu dreigen deze dagen ook nog het instrument van een linkse agenda te worden. Wie daar intrapt, heeft niet goed naar de verzetsverhalen geluisterd, stelt Bart Jan Spruyt. Een paar stukjes uit zijn betoog.
4 en 5 mei, dodenherdenking en bevrijdingsdag, waren altijd twee duidelijk gemarkeerde, memorabele momenten waarop de Nederlandse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog werden herdacht. Het is ook altijd de tijd van het jaar waarin de verhalen over toen worden verteld. Mooie verhalen over ‘nee zeggen’ en verzet, donkere verhalen over verraad en collaboratie. Het was altijd duidelijk waar we het over hadden: over de jaren van de Tweede Wereldoorlog, over de vele doden die toen in Nederland zijn gevallen en over de bijna complete uitroeiing van de Joden. Daar stonden we bij stil, en we zeiden tegen elkaar: dat nooit meer.
Maar de laatste jaren is de herdenking op 4 en 5 mei steeds meer in de tijd verlengd en inhoudelijk verbreed. Het meest gebruikte argument was altijd dat de Tweede Wereldoorlog wel erg lang geleden was, dat steeds meer mensen er geen actieve herinnering meer aan hadden en dat de herdenking dus wat relevanter en actueler moest worden gemaakt om de mensen er nog een beetje bij te betrekken.
Die gedachtegang is een groot misverstand. De ons omringende landen, landen die in de Eerste Wereldoorlog niet, zoals Nederland, neutraal waren gebleven, staan ieder jaar op 11 november (Wapenstilstandsdag) uitvoerig en met gepaste ernst stil bij het einde van die oorlog. Het is een nationale gedenkdag. De herinnering is levend gebleven, of beter: in leven gehouden. Je kunt een verhaal vertellen of je kunt het niet.
Bij ons zijn 4 en 5 mei steeds meer een invalshoek geworden voor een ideologische inkleuring van de dodenherdenking en bevrijdingsdag. De lijst van te gedenken gebeurtenissen werd langer en langer, en steeds meer groepen eisen een plekje onder de gevallen helden op.
Met als recent dieptepunt de pogingen van mevrouw Faryda Hussein, ambtenaar van beroep, werkzaam bij de Europese Commissie, om uitgerekend op 4 mei, uitgerekend ’s avonds om acht uur, een alternatieve herdenking te organiseren (‘4 mei inclusief’). Het moet allemaal wat internationaler en een herdenking worden van alle slachtoffers waar dan ook, wereldwijd, maar vooral in Gaza. Heel inclusief, want we zijn een ‘diverse samenleving’.
Een nationale (!) herdenking wordt zo tot een linkse demonstratie voor ‘inclusiviteit’. Zo’n alternatief getuigt van slechte smaak en onwelvoeglijkheid, maar vooral van een poging om een nationale herdenking te vermageren en te verdunnen tot een vaag verhaal over een belofte (‘nooit meer’) die in dienst wordt gesteld – niet van het ideaal van een weerbare, anti-autoritaire democratie, maar van een linkse agenda waarbij ‘slachtoffers’ van welke vorm van geweld dan ook, en waar dan ook, als verzetsstrijders worden gevierd.